In de Troonrede en Miljoenennota gaat het maar kort over jeugdzorg: goede hulp moet beschikbaar blijven, gemeenten krijgen extra geld en jongeren moeten worden beschermd tegen afglijden richting criminaliteit.
Sinds de hervorming van 2015 ligt er een stevige financiële opdracht op de jeugdzorg. Toch blijkt telkens opnieuw dat bezuinigen alleen niet werkt. Extra geld kan tijdelijk lucht geven, maar lost de onderliggende vraag niet op: wanneer valt een probleem onder de Jeugdwet, en wanneer vraagt het vooral om inzet vanuit een ander domein?
De Jeugdwet is bedoeld voor jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Dat betekent niet dat elk probleem rond een kind automatisch een jeugdzorgvraag is. Schulden, armoede, huisvesting, onderwijsproblemen of onveiligheid in de wijk kunnen grote invloed hebben op kinderen, maar vragen vaak óók om oplossingen buiten de jeugdzorg.
Dat raakt aan wat Sharon Stellaard in Boemerangbeleid laat zien: beleid in de jeugdzorg reageert vaak op problemen die door eerdere keuzes zijn ontstaan. Als we steeds meer maatschappelijke opgaven onder jeugdzorg schuiven, wordt het stelsel niet vanzelf sterker. Het kan juist opnieuw vastlopen.
Voor gemeenten en professionals ligt daar een belangrijke juridische én praktische opdracht: scherp blijven onderscheiden wat onder jeugdhulp valt, wat preventie is, en waar andere domeinen aan zet zijn.
Want goede jeugdzorg begint niet alleen met méér inzet, maar ook met duidelijkheid over waarvoor de jeugdzorg bedoeld is.



