Het is een vraag die veel jeugdprofessionals bezighoudt, vaak stilletjes. Want fouten maken in de jeugdhulp voelt al snel als falen. Zeker als het gaat om werken met kinderen en gezinnen, in een vrijwillig of gedwongen kader. Toch is het onvermijdelijk: dit werk is mensenwerk. En waar mensen werken, worden fouten gemaakt.
De oorzaken kunnen uiteenlopend zijn. Hoge werkdruk, onderbezetting, onvoldoende tijd, een minder goede match met een cliënt, onvoldoende inwerkperiode of simpelweg een gebrek aan specifieke kennis. Soms is het een kleine misstap, soms een grotere. En ja, fouten kunnen gevolgen hebben. Voor cliënten, voor de organisatie, maar ook voor jou als professional.
Welke route een cliënt vervolgens kiest, heb je niet altijd in de hand. Dat kan een gesprek zijn met jou of je leidinggevende, een klacht bij de klachtencommissie, een aansprakelijkheidsstelling – of een tuchtklacht bij het SKJ. Wat betekent zo’n tuchtklacht nu écht? En leidt een fout automatisch tot een maatregel?
Aan de hand van een praktijkvoorbeeld neem ik je mee.
Een fout onder uitzonderlijke omstandigheden
Een jeugdprofessional die ik bijstond, werkte in het gedwongen kader en voerde een ondertoezichtstelling (OTS) uit. Het speelde zich af tijdens de coronapandemie. Er was een lockdown, het werk verliep anders dan normaal en binnen het team was sprake van onderbezetting. De werkdruk was hoog, het aantal dossiers groot.
De ondertoezichtstelling liep bijna af en er moest een verlengingsverzoek worden ingediend bij de rechtbank. Daarbij hoort een geactualiseerde evaluatierapportage, die vooraf met cliënten besproken moet worden. In dit geval lukte het de jeugdprofessional niet om de conceptrapportage tijdig met de cliënt te bespreken voordat de stukken naar de rechtbank werden gestuurd.
De rapportage werd tegelijk naar de rechtbank en naar de cliënt gemaild. In die mail gaf de jeugdprofessional aan dat eventuele feitelijke onjuistheden nog aangepast zouden worden. Dat gebeurde echter niet. Tijdens de zitting bij de rechtbank bleek dat de cliënt meerdere opmerkingen had over de inhoud van de rapportage.
Van klachtgesprek naar tuchtklacht
De cliënt diende een klacht in bij de teamleider van de jeugdprofessional, over zowel de totstandkoming als de inhoud van de rapportage. Tijdens het klachtgesprek erkende de jeugdprofessional dat hij de rapportage eerder had moeten bespreken en bood hij daarvoor zijn excuses aan. Er werden afspraken gemaakt: de reactie van de cliënt zou aan het dossier worden toegevoegd en feitelijke onjuistheden zouden worden aangepast.
Toch bleef het daar niet bij. De cliënt diende vervolgens ook een tuchtklacht in bij het SKJ. De verwijten: de cliënt was niet tijdig betrokken bij de evaluatie van de OTS en de rapportage was onzorgvuldig opgesteld en bevatte onjuistheden.
Reflectie als sleutel
In het verweerschrift en tijdens de zitting bij het tuchtcollege erkende de jeugdprofessional opnieuw dat hij de cliënt niet tijdig had betrokken. Hij bood wederom excuses aan. Belangrijker nog: hij reflecteerde uitgebreid op zijn handelen.
Hij gaf aan dat hij onvoldoende alert was geweest op de planning van de evaluatierapportage en dat hij – door prioriteit te geven aan het tijdig indienen bij de rechtbank – de cliënt geen gelegenheid had gegeven om vooraf te reageren. Hij benadrukte dat dit niet zijn gebruikelijke werkwijze was en lichtte toe hoe hij normaal gesproken cliënten wél betrekt.
Ook erkende hij dat het niet tijdig bespreken van de rapportage heeft bijgedragen aan de onvrede over de inhoud. Een aantal feitelijke onjuistheden werden na de zitting aangepast. Daarnaast gaf hij aan dat hij bepaalde passages, vanuit het principe van meerzijdige partijdigheid, anders had kunnen formuleren of had kunnen weglaten. Hij benoemde concreet waar hij scherper had moeten zijn in het onderscheiden van feiten, meningen en interpretaties.
Tot slot gaf hij aan dat hij zich realiseert dat het beter uitleggen aan cliënten wat hij verstaat onder “feitelijke onjuistheden” en wat onder “visieverschillen”, veel misverstanden kan voorkomen.
Het oordeel van het tuchtcollege
Het College van Toezicht verklaarde het eerste klachtonderdeel gegrond en het tweede gedeeltelijk gegrond. Toch werd er geen maatregel opgelegd. Hoe komt dat?
In de beslissing stelt het college dat de jeugdprofessional niet zorgvuldig heeft gehandeld door te laat te beginnen met de rapportage. Daardoor is de cliënt niet tijdig betrokken en zijn er feitelijke onjuistheden in de rapportage terechtgekomen. Het college geeft aan dat het beter was geweest voor de samenwerking als de rapportage vooraf met de cliënt was besproken, zodat visieverschillen toegelicht hadden kunnen worden.
Volgens het college is hiermee sprake van een schending van:
- artikel M (dossiervorming/verslaggeving)*, en
- artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming).
Doordat de cliënt niet tijdig werd betrokken, voelde zij zich gepasseerd en niet gehoord. Dat heeft het vertrouwen in de jeugdbescherming geschaad.
Waarom toch geen maatregel?
Dat is misschien wel het belangrijkste deel van deze uitspraak. Het college zag af van het opleggen van een maatregel omdat:
- de jeugdprofessional excuses heeft aangeboden;
- hij open en eerlijk heeft gereflecteerd op zijn handelen;
- hij inzicht heeft getoond in wat anders had gemoeten;
- hij aantoonbaar lering heeft getrokken uit de klacht.
Het college sprak bovendien het vertrouwen uit dat de jeugdprofessional in de toekomst scherper zal zijn op de planning van evaluatierapportages en ouders tijdig zal betrekken.
Wat leren we hiervan?
Deze zaak laat zien dat fouten maken mag. Ook in de jeugdhulp. Een fout leidt niet automatisch tot zware tuchtrechtelijke consequenties. Wat doorslaggevend is, is hoe je met die fout omgaat.
Ben je in staat om eerlijk naar je eigen handelen te kijken? Durf je verantwoordelijkheid te nemen, excuses aan te bieden en te leren? En ben je daar open over richting je cliënt én het tuchtcollege?
Dan kan een tuchtklacht – hoe spannend en belastend ook – uiteindelijk zelfs bevestigen dat professionaliteit niet zit in foutloos werken, maar in reflecterend handelen.
*Dit betreft artikelen uit de Beroepscode voor Jeugd- en gezinsprofessional, die geldig was tot 1-1-2022. Artikel M is vergelijkbaar met artikel 15 van de beroepscode voor professionals in sociaal werk (geldend sinds 1-1-2022); artikel D is vergelijkbaar met artikel 4.

